Doesburgse verzetsmensen bezwijken na de oorlog aan de gevolgen van hun werk

tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000

1945 – 2002

Verzetskapelaan Theo Morselt, die tijdens de bezetting intensief betrokken was bij de Doesburgse illegaliteit, overlijdt kort na de oorlog aan een hartaanval. Willem Wijnen, plaatselijk commandant van de Ordedienst, overlijdt in januari 1949, vier jaar na de bevrijding, aan de gevolgen van zijn verzetswerk; de medici van de Buitengewone Pensioenraad erkennen het causale verband tussen zijn ziekte en zijn verzetswerk, waarna zijn twee kinderen een uitkering van de Stichting 1940-1945 ontvangen.

Koerierster Betje Vos-Wiggemans vertrekt in 1946 om gezondheidsredenen uit Doesburg naar een herstelloord; bij dominee Elshout wordt zij na de oorlog gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis als gevolg van haar verzetswerk.

Decennia later blijkt de nasleep van het verzet ook elders door te werken: Sandor Baracs (1900-2001), Hongaars-joods-Nederlandse verzetsstrijder en lid van de Amsterdamse knokploeg CS-6 en schrijver voor verzetskrant Trouw, woont met zijn vrouw Hester van Lennep, afkomstig uit een bekende Amsterdamse verzetsfamilie, tussen 1972 en 2000 in het park tegenover school De Horizon in Doesburg. Het echtpaar redde gezamenlijk meer joden dan Oskar Schindler, maar verkoos de anonimiteit van Doesburg boven nationale erkenning voor hun verzetsverleden. In augustus 1985 eert de staat Israël Hester van Lennep alsnog als ‘Rechtvaardige onder de Volkeren’ vanwege haar hulp aan joodse kinderen tijdens de oorlogsjaren — haar man Sandor Baracs komt zelf, als joodse verzetsstrijder, niet in aanmerking voor deze onderscheiding. Hester van Lennep overlijdt op 1 januari 2002 in Doesburg.