Uyttewaal en pater Campman brengen ontsnapte krijgsgevangenen naar Limburg
tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000
1940
- Het Stille Netwerk: 1940-1945. De Doesburgse illegaliteit, haar ontstaan en regionale ontwikkeling , Sander Polman & Michel Wenting (boekpagina 107-108, geraadpleegd 16-09-2026.)
In mei 1940 hervat pastoor A.S. Uyttewaal, voormalig legeraalmoezenier tijdens de mobilisatie van 1914, zijn werk als pastoor van de RK-parochie Doesburg; zolang er militairen in actie zijn bij de kazematten aan de IJssellinie voor Doesburg, spreekt hij hen moed in.
Kort na de Nederlandse capitulatie in mei 1940 zet pastoor Uyttewaal zich samen met zijn collega pater Campman uit Velp in om zoveel mogelijk militairen te onttrekken aan krijgsgevangenschap. Campman rijdt op zijn motorfiets langs de linies om zwervende militairen op te pikken, waarna Uyttewaal zorgt voor kleding, voedsel en onderdak. Dit vormt de basis van de latere samenwerking tussen Doesburg en Velp op het gebied van hulp aan ontsnapte krijgsgevangenen. Tot het einde van 1940 brengt pastoor Uyttewaal persoonlijk ontsnapte krijgsgevangenen tot in Limburg, zonder onderscheid te maken op basis van persoon, geloof of achtergrond. Hierbij wordt hij steeds meer geholpen door kapelaan Theo Morselt, wiens motto luidt “niet vragen maar doen”.
Vanaf 1941 hoeft Uyttewaal niet meer zelf naar Limburg te reizen: hij levert zijn krijgsgevangenen voortaan rechtstreeks af in Velp. Daar vormt de RK-parochie onder pastoor Schaars, samen met pater Campman en het Nederlands-Belgische echtpaar Timmermans, dominee Oskamp en Hans de Beaufort, het centrum van een vaste escaperoute via trappistenkloosters naar België en Frankrijk — het primaire systeem dat de basis vormt van het verzorgende netwerk tussen Doesburg en Velp (en Rheden) dat tot het einde van de oorlog in stand blijft.