Jodenvervolging in Doesburg onder burgemeester Nahuys
tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000
1941 – 1942
- Het Stille Netwerk: 1940-1945. De Doesburgse illegaliteit, haar ontstaan en regionale ontwikkeling , Sander Polman & Michel Wenting (boekpagina 309-314, geraadpleegd 16-09-2026.)
Op 17 maart 1941 wordt in Doesburg de verplichte aanmelding van joodse burgers gehouden; politieagent L. Westera stelt in opdracht van burgemeester G.A.A. Nahuys een lijst samen met namen en geboortegegevens van de joodse inwoners, de eerste stap naar de latere deportatie. Op woensdag 8 oktober 1941 vindt de eerste razzia op joodse inwoners van Doesburg plaats: Abraham en Jacob Meijers en Maurits Sternfeld worden in opdracht van Nahuys door Doesburgse politieagenten van huis gehaald en vervolgens door de Duitse politie gearresteerd en naar kamp Mauthausen gedeporteerd, waar zij nog voor het einde van de maand omkomen — Nahuys onderneemt geen poging hen te waarschuwen, hoewel hij als eerste op de hoogte was van de aanstaande arrestatie.
Op 29 mei 1942 wordt de joodse Doesburger Meijer Lebensbaum, voormansknecht van beroep, door de Duitse Sicherheitspolizei gearresteerd; Nahuys geeft het Doesburgse politiekorps opdracht hem uit huis te halen zonder hem vooraf te waarschuwen, en meldt de arrestatie nadien plichtsgetrouw aan commissaris van de Koningin Van Heemstra.
Begin november 1942 wordt Doesburg via een vergadering van Gelderse burgemeesters met de SD in Arnhem geïnformeerd over de aanstaande deportatie van joodse inwoners; op 20/21 november 1942 krijgt het Doesburgse politiekorps van Nahuys de persoonlijke opdracht alle joodse inwoners te arresteren en zich om 20.00 uur op het politiebureau aan de Roggestraat te melden. Voor het eerst voert de lokale politie de arrestaties zelf uit, in plaats van de Duitse politie: woonden er op 17 augustus 1942 nog 18 joden in de gemeente, op 19 april 1943 waren dat er nog maar twee.