Doesburgs burgemeesterschap en de naoorlogse zuivering

tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000

1944 – 1947

Vanwege Nahuys’ vermeend ‘passieve houding’ tegenover het plaatselijke SS-garnizoen draagt Beauftragte Emil Schneider de Doesburgse NSB’er L.H. van Rijn voor als opvolger; op 5 juni 1944 meldt de Reichskommissar dat Nahuys’ ambtstermijn op 10 juni 1944 afloopt en dat Van Rijn de waarneming overneemt.

Na de bevrijding wordt NSB-burgemeester Van Rijn opgepakt en neemt oud-burgemeester Nahuys kort daarop tijdelijk de honneurs weer waar; op 21 juli 1945 vraagt hij ontheffing van dit tijdelijke ambt aan, waarbij commissaris van de Koningin S. baron van Heemstra hem prijst als ‘een krachtig bestuurder van statuur’ die zijn gemeente dertig jaar trouw had gediend.

Nahuys wordt vervolgens aan een zuiveringsonderzoek onderworpen; de respondenten — vertegenwoordigers van de voormalige illegaliteit — schuiven de verantwoordelijkheid voor de jodenvervolging grotendeels af op inspecteur J.H. Schouwink en gemeentesecretaris A.J.A. Jacobs, en zijn eigen medewerking aan de registratie, deportatie en arrestatie van joodse inwoners wordt in het rapport niet onderzocht.

Het Centraal Orgaan op de Zuivering van Overheidspersoneel concludeert: ‘Burgemeester Nahuys was richting de bezetter slap en bang en op een enkel punt handelde hij zelfs onjuist… Daar hij ook niet meer in functie is, zien [wij] verder geen reden hem aan verdere maatregels te onderwerpen.’ Nahuys dient geen verweer in tegen deze conclusie; het zuiveringsdossier vermeldt overigens wel dat hij de joodse Betje Jansen-van Bingen in 1944 vooraf waarschuwde voor een dreigende arrestatie — zij sloeg dit advies destijds in de wind, werd alsnog naar Westerbork gebracht maar wist te ontsnappen en naar Doesburg terug te keren.

Van Rijn geniet als burgemeester aanvankelijk korte tijd waardering onder de Doesburgers en wordt na de oorlog aanvankelijk niet opgepakt, maar alsnog berecht en veroordeeld vanwege zijn aanstelling door de bezetter. J.H. Schouwink, inspecteur van politie en verantwoordelijk voor de opsporing en het afvoeren van Doesburgse joden, wordt op 13 maart 1947 door het Hooggerechtshof te Arnhem veroordeeld voor het opzettelijk hulpverlenen aan de vijand en het blootstellen van personen aan opsporing, vervolging en vrijheidsberoving.

Gemeentesecretaris A.J.A. Jacobs, tijdens de bezetting fel pro-Duits, wordt na de oorlog gezuiverd en geschorst, maar krijgt in 1947 niettemin ‘eervol ontslag’ van de gemeente Doesburg — een dubieuze beslissing die zijn aandeel in de jodenvervolging niet weerspiegelt.