Bewapening van het Doesburgse verzet
tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000
december 1943 – 1944
- Het Stille Netwerk: 1940-1945. De Doesburgse illegaliteit, haar ontstaan en regionale ontwikkeling , Sander Polman & Michel Wenting (boekpagina 65, 68, 81, geraadpleegd 16-09-2026. Boekpagina 68 betreft een getranscribeerd verslag uit NIOD-archief 251A.)
Begin december 1943, ver vóór het debacle bij Arnhem, brengt Jan Houtsma (‘Kleine Jan’), RVV-rayonleider Doetinchem, regelmatig instructies voor gewapend optreden bij verzetspost VPW 18 van Piet Willemsen; binnenskamers wordt geoefend met de stengun en de karabijn. Houtsma instrueert ook elders in Doesburg en omgeving medewerkers in wapengebruik, ruimschoots vóór de Ordedienst dat doet — mede doordat door de luchtlandingen bij Renkum en Wolfheze het centrale afwerpterrein bij Elst is afgesneden. Wanneer de strijd met de bezetter losbarst, blijkt de aanvankelijk ongewapende illegaliteit daardoor beter voorbereid en bewapend dan de paramilitaire OD.
De LO-afdeling Keppel, met Van de Weg als commandant en Van Loon als plaatsvervangend commandant, verzorgt de bewapening van Doesburg — onder meer met zes vooroorlogse politierevolvers die de burgemeester vóór de oorlog had aangeschaft, en een lading van twintig stens die Van Loon naar Doesburg brengt.
Met Bevel Nr. 1B van 28 oktober 1944 eist de BS-leiding van het rayon Achterhoek een wekelijkse opgave van wapens, munitie en materieel; de eerste rapportage, ingediend op 23 november 1944, vermeldt onder meer 340 stenguns, 128.800 patronen 9mm, 330 handgranaten en 6 Brenguns, afkomstig van droppings op de afwerpterreinen ‘Bluebottle’ en ‘Lammert’ en uit Twente.